Heemkring Westerring

Omvat Eine, Heurne en Mullem

Fotoalbum

Het Klooster

Het Klooster van Eine
DE O.L.VROUW VISITATIE 
Uit: Zo is Eine ook nog geweest 
door André scherpereel

Het "klooster" waarmede men zowel het gebouw als de onderwijsinrichting bedoelde is inherent verbonden aan de "geschiedenis" van Eine vooral in de vooroorlogse periode. Talrijke prominenten, gewone burgers, ontwikkelde arbeiders, vrienden vertelden ons dat ook zij naar "het klooster" waren geweest o.a. burgemeester Carlo Dierickx van Gavere die dit jaar 79 wordt (feitelijk is hij er 125), als men zijn activiteiten als arts, burgemeester. sportman, motocrosser, voetballer, levensgenieter enz... in aanmerking neemt.


Ik herinner het mij, als ware het gisteren dat mijn moeder met mij naar de visitatie trok, de Franse school zoals dat toen heette. De deurbel was nog een klokje dat schel weerklonk en heftig weergalmde achter de statige eiken ingangsdeur. Zoals alleen religieuzen dat kunnen opende zuster portierster de deur. Klein geborgen onder een zwarte kap en dito kleed met een hagelwit strak gestreken bef, nodigde zij ons uit in de parloir plaats te nemen. Zij droeg een schitterende paternoster om de lenden met een kruis in zilveren omhulsel.


De 5 x 10 bolletjes waren gescheiden door een grotere misschien wel zilveren bol. Met haar ene hand gekruist over de borst zei ze dat "La révérende mère allait venir tout de suite" (volgens de gegevens moet moeder-overste zuster Louise Marguerite geweest zijn die deze functie bekleedde van 1930 tot 1936.)
De gang waarin wij even hadden kunnen loeren, gaf een statige indruk. Langs weerszijden pitch pine lambrizering, een blinkend zwarte bevloering met witte mozaiekjes.
Er hing die ondefinieerbare geur, kloosters eigen : een mengeling van wierook, kaarsengeur en nog wat.
In de sobere spreekkamer stond een piano "Van Hyfte", hij was zwart en had 2 beweegbare kaarsenhouders. Naar het schijnt was hij eigendom van mademoiselle Anna".
Er was een prachtige, Vlaamse linnenkast bedekt met een handgeborduurd linnen doek. Daarop stond een schitterende piëta tussen dure antieken kandelaars.
Een secretaire, een mooie ovalen tafel en zes stoelen, in dezelfde stijl vervolledigden het meubilair.
De tafel was bekleed met een wollen kleed met dieprode franjes.
Zowel de rugleuning als de zitting van de stoelen waren overtrokken met een identieke stof (velours de Gènes) in aangepaste kleuren.
Paus Pius XI hing op de ereplaats zodat zijn blik door niemand kon worden ontweken. er was ook nog een beeltenis van Monseigneur Cardyn; de pionier van de KAJ (de Kristelijke Arbeids Jeugd) en om niet alles aan de mannen te besteden, een beeltenis van de heilige Theresa van Lisieux. Op de tafel een mooi vaasje met anjers en met daarnaast een schitterend boek en een exemplaar van 'Werk en Leven". Er hing een vijfarmige Art Deco luchter, die nu een klein fortuintje zou waard zijn. De lusterkapjes waren in doorzichtig bruin/roos glas met fijne, versieringen beschilderd. Alles keurig verzorgd, geen scheefhangende en defecte lampekapjes. De bediening gebeurde met U weet wel die porseleinen draaischakelaars. Een eerste draai deed drie lampen branden, een tweede draai gaf volle licht en een derde draai bracht U op de beginstand. Regelmatig. zag men een klein vonkje, zichtbaar door de gaatjes in het porseleinen omhulsel. Wij begrepen toen nog niet hoe dat kwam.
Moeder had ons al verboden even dat boek in te kijken en juist wanneer wij een andere stoel gingen nemen, gehinderd als wij waren door een teveel doordrukkende veer, ging de deur open en daar stond dan "La Révérende Mère."
Zij had een geruststellende lach om haar lippen zoals de engelen die ons zullen begeleiden naar de eeuwigheid. Zij sprak vooralsnog geen Frans met mijn moeder en na ruggespraak met haar zou ik het schooljaar beginnen in het lste leerjaar bij zuster Joseph Augustine.
Ik herinner mij dat zij een klein mollig nonneke was. Ze droeg een bril met gouden montuur en bij de minste koude droeg ze een mooi gehaakte zwarte sjaal om haar schouders. Ze droeg ook (evenals sommige andere zusters) zwarte vingerlingen en toen ze de tree nam naar het verhoog waarop haar lessenaar stond zag men dat haar blinkende zwarte schoentjes waren versierd met een zilverkleurige gesp. Ze moet heel lief zijn geweest want ik herinner mij niet de minste narigheid. Ik werd op het einde van dit leerjaar de 1ste van de klas en dat zou zo blijven tot het einde van "mijn studies" in het "klooster".
Het tweede leerjaar waanden wij ons in de hemel. Wij belandden bij de enige niet geestelijk leerkracht: Mademoiselle Henriette. Zij was van Brugge. Een heel lieve mooie vrouw die goed kon tekenen en verhalen vertellen of voorlezen. Ze leerde ons reeds enige franse woorden in zinsverband. Ze was een gracieuse verschijning tussen al dat zwart van de zusters. Wij hadden nog geen aandacht voor al wat onder die mooie bloes zat. Best zo want dat zou doodzonde geweest zijn. Wij wisten amper wie Sinterklaas was, laat staan dat wij dát al wisten. Iedereen ging graag naar de klas. Ieder kind kon bij haar terecht met zijn toen nog veelvuldige traantjes en moeilijkheden. Had zij les gegeven toen wij 15/16 jaar waren, zouden wij ongetwijfeld verliefd op haar zijn geweest.
Een paar jaar later is zij getrouwd en met de noorderzon verdwenen. Nooit meer iets van gehoord. Zij werd vervangen door zuster Marie Germaine die in april 1936 overkwam van Leopoldsburg. Wij hebben ze slechts een korte tijdspanne gekend.
Na dat 2de leerjaar hebben wij niét ten volle kunnen genieten van "de grote vakantie".
Op regelmatige tijdstippen dachten wij op het komend leerjaar en tegen de laatste week van augustus hadden wij zeker buikpijn om niet te zeggen diarree. Hoe kwam dat? Onze voorgangers hadden ons terecht, zoniet onterecht de schrik op het lijf gejaagd.
Dat wij naar het 3de leerjaar moesten en dat wij zouden verplicht worden frans te spreken was het minste van onze zorgen. Dat wij echter, en dat voor de twee volgende jaren bij zuster "Françoise de Borgia" moesten gaan aanzitten, dat was er te veel aan !
Zuster Borgia" werd ze kortweg genoemd. Of zij een afstammeling was van Lucrecia de Brogia die voor haar vierde keer huwde met Alfonse d'Este (een adellijk geslacht uit Italië) weten wij niet en hebben wij ook niet nagegaan, vanzelfsprekend niet. In ieder geval werd ze even gevreesd als haar illustere voorgangster.
Ze was een zware vrouw, tamelijk groot, zij was geboren op 31 mei 1873 als Eugenie van Danime. Zij kwam via het klooster van Mater op 5 september 1905 naar Eine en stierf er in het klooster op 2 januari 1958. Zij heeft gedurende vele jaren haar stempel gedrukt op het leven en het onderwijs in de O.LV. Visitatie. Zij is de kleurrijkste figuur ooit, in de geschiedenis van het klooster.
Zij had een voor haar gezicht, veel te klein brilletje op.Haar stem veranderde onophoudend van toonhoogte. Scherp en hoog toen ze veinsde en mouw veegde, zwaar en diep toen ze indruk wou maken. Ze beheerste de toonladder op een manier die Ivan Rebroff zou doen blozen.
Kortom als ze de klasdeur opende, wanneer wij muisstil op haar zaten te wachten, zag ze eruit als een zeehond met een bril op, zij had enkele stekelige snorharen, en zij hijgde als een vis die leed aan watertekort. Iedereen stond recht (dat werd geëist, wat normaal is) en met behulp van haar beide handen ook zij droeg van die vingerlingen hijsste zij zich omhoog tot bij haar lessenaar. Ze steunde meer dan zij zat op een hoge stoel, een soort barkruk, op hoge poten. Dat deed ze waarschijnlijk omdat ze zittend op een gewone stoel zeer moeilijk had kunnen opstaan.
Vanuit haar "uitkijktoren", overzag ze de klas als een feldwebel zijn manschappen (feldwebel = adjudant in Duitse leger). Toen zei ze : Asseyez-vous en vervolgde Au nom du Père et du Fils ... en toen begon onveranderd de Godsdienstles.
Vanaf dit jaar krijgen wij als nieuwkomers in de klas drie jongens uit Noord-Frankrijk. Ik herinner mij nog hun namen als het ware het van gisteren geleden : Daniel Renson, Georges Dolfens en Paul Hourquin benevens in een hogere klas een witRus Wladimir Hondoley.
Daniel Renson zag er verder uit als een Engelsman, zeker een nazaat van toen ze in Normandië thuis waren.
Hij had ros haar, grote voeten en een typisch bros-kapsel. Hij droeg altijd hoge veterschoenen met geruite sportkousen. Zijn lange benen staken als asperges uit zijn korte broek en de fijne haartjes op zijn billen stonden soms recht van de koude. Hij was een beste jongen, volgzaam leerling maar introvert zodat hij weinig kontakt zocht met de andere leerlingen.
Georges Dolfens was een afgietsel van Sim de franse humorist te zien in het programma 'Tes grosses Têtes" op TF1 Hij was kleiner en zag er nog freler uit dan onze atletiekkampioen Vincent Rousseau. Hij kon zonder problemen in een grote fietszak worden gestoken. Hij was slim, sluw, handig en gewiekst. Hij ontpopte zich nog al snel als de grootste lastigaard van ons Borgia" Een straf deerde hem niet, het was als water op een gans gieten en aangezien hij "intern" was, werd hij de verslaggever van het gebeuren vóór en na de lesuren. Hij werd ons aller vriend.
Bleef uiteindelijk Paul Hourquin, een zelfvoldaan, klein en rondbollig ventje. De "chouchou" van Borgia" -hij leek er wat op - de overdrager, de geniepigaard.'
Zijn kop kon gediend hebben in de opgesmukte uitstalramen van de beenhouwers op Goede Vrijdag, als voorbode van het feest der Verrijzenis. Ik zie hem al geposteerd in de toenmalige beenhouwerij van Georges of Emiel Landrieu, of Jozef Lammens naast een opgedirkte kalfskop met citroen in zijn bakkes. Dat ware iets voor hem geweest.
De vierde vreemdeling Wladimir Hondoley was van een aparte klasse. Hij was iets ouder, knap, sportief, verzorgd, attent en goede leerling. Iemand waar iedereen naar opkeek, een Rus in Eine !
Hoe was die hier beland ?

Vergeten wij vooral niet te zeggen dat de O.L.Vrouw Visitatie een goede reputatie had en een tamelijk verspreide bekendheid verwierf. Tenslotte mogen allen die daar geweest zijn hun ouders dankbaar zijn. Nu nog regelmatig ontmoeten wij mensen - en God weet waar wij overal hebben gelopen en nog lopen - die als wij antwoorden op de klassieke vraag : van waart bent U, wij zijn van Eine. OK van Eine daar ben ik, is mijn broer, neef of zuster (- de Visitatie had ook een meisjesafdeling -) of een bekende in de Visitatie geweest. U zoudt verstomd staan.
Om niet verder af te wijken : Hondoley dan : (zijn zuster Galena was hier ook, ze was een zeer mooie meid.)
Zijn vader was een wit rus, uitgeweken naar Westerse kontreien. Hij was specialist en directeur van de keramiektegelfabriek Wasserbillig CGCB. (Groot Hertogdom Luxemburg)
Algemeen verdelen was de firma Willems-Draguet (later Willems-Van Outrijve) waar de heer Josse Willems (grootvader van onze huidige Josse Willems, III) afgevaardige-beheerder was.
De heer Willems was gehuwd met Celina Dermaut. In de familie waren er twee kinderen Josse II en Celine. Naar de toenmalige Franse gewoonte droeg de oudste zoon de naam van de vader en het oudste meisje de naam van de moeder.
Dus was de familie Willems de link tussen de Hondoleys en de Visitatie.

In die periode zaten ook Einse jongens in het klooster en zal ook zuster Borgia bij hen bekend zijn. Bij mijn leeftijdgenoten behoorden Leopold Van De Moortel, Roger Van Havermaet, Andre Verwulghen, Alfons Roelens en de vroeg gestorven Ignace Rigolle. Nog een paar anderen schieten mij niet meteen te binnen. Waarom "Zuster Borgia" zo'n figuur was voor kinderen van 8/9 jaar is best te begrijpen als wij zullen trachten enige van haar "gewoontes" te beschrijven. Dus wij zitten in de 3de en de 4de klas. Links op het bord schreef Françoise de namen van de jongens wiens ouders de trimestriële bijdrage (ja! ja!) niet tijdig hadden betaald, wat konden die kinderen daar in Godsnaam aandoen. Dit leidde tot plagerijen, pesterijen en vechtpartijtjes. Wij durven niet zomaar het woord "wraakroepend" gebruiken maar ongeoorloofd is te zacht uitgedrukt.
Ik weet niet hoe het kwam maar toen waren er altijd leerlingen met bevroren tenen. 's Morgens na het gebed werden al die "slachtoffers" genodigd rond de kachel te gaan zitten. U weet wel die hoge kachels die met kolen werden gestookt, ovalen bollen, eierkolen noemde men dat. De rook werd afgevoerd langs galvanisé buizen met ijzerdraad vastgehecht aan het plafond en door een gat in één der ramen afgeleid naar buiten. Als de kat in de kolen had gepist en bij een verkeerd zittende wind kon het roken en stinken van jewelste.
De bezeerde teentjes werden ingewreven met een helende vloeistof beschikbaar in een fles : Le Diable Vert. Zuster Borgia smeerde met een borstel en de nabije kachel diende als droger. En stinken mijne goeie! Toch moet het zijn dat de "Groene Duivel" enig soelaas, ja zelfs genezing bracht, want steeds ging ze ermee door.
De "Diable Vert" was een tijdgenoot van de "Ouate Thermogène". Op de verpakking stond een zwarte duivel die vuur spuwde. Deze Ouate werd gebruikt als borstbescherming bij grote verkoudheid, bij schouderpijn en andere pijnlijke aandoeningen. zelfs bij tandpijn, die in die periode veelvuldig voorkwam. En werd een ferme dots thermogene op uw wang gelegd die met een sjaal op zijn plaats werd gehouden. Het ingepakte "slachtoffer" hoorde noch zag op normale wijze. Het werd zo rood als een pioen en het jeukte dat er gekrabd werd tot bloedens toe.
Een derde remedie, voorgeschreven door Dokter Dhaenens en ter bevordering van de darmontlasting was de siroop "Pommes de Reinettes", van Dokter Manceau (deze was een verre neef van Dr Mann, van die poeders. Die bestond ook niet)
En verder voor de bleekschijters was er de versterkende levertraan. Alleen voor de lucht al, laat staan het doorslikken, zorgde voor alarmerende situaties. Als zuster Borgia had gedrufd zou ze een oliepomp gebruikt hebben om dit spul op te spuiten.
Wie naar het toilet moest (veel kinderen durfden het niet vragen wat soms tot katastrofes aanleiding gaf) was verplicht 1 vinger omhoog te teken voor "le petit besoin", en 2 vingers pour "la grande commission". Ik herinner mij dat Paul Hourquin eens te laat is geweest. Zijne Pommes de Reinettes, had te snel gewerkt. Hij had geheel zijn broek volgescheten, le pauvre garçon!
Nog een uitvinding van Françoise de Borgia heeft menigeen aangezet tot huichelaar en verrader te spelen.
Zij had "la clef" ingevoerd : de sleutel. Zoals reeds vermeld waren wij toen verplicht, al zij het gebrekkig, Frans te spreken. Wie dat niet deed, of betrapt werd het niet te doen, kreeg "la clef". Om er weer vanaf te geraken, deed men iemand anders op een linke manier in de val lopen.
In het bezit zijn van "la clef" betekende straf. De meeste zusters en vooral Mademoiselle Henriette hebben daar nooit controle op uitgeoefend tot zuster Borgia op de speelkoer verscheen : Qui a la clef ?
Toen moest "de bezitter" bij haar komen. Zij nam U met haar dikke vingers tussen uw nek en uw halsboordje en dan diende U gans de speeltijd als wandelstok bij haar rondgang over de speelplaats. De nu verdwenen speelplaats was een prachtige ruimte, met aan de ene kant een drietal schaduwrijke bomen, langs 2 zijden zitbanken vastgemaakt in de muur, langs de andere kant de witte kapelmuur, zuidwaarts gericht soms blakend in de middagzon. Achteraan een overdekt gedeelte met daarboven een tweetal klassen van de meisjesafdeling van de gemeenteschool. Een heerlijke speelkoer was dat.
De straf voor het bezitten van "la clef" hing af van het humeur van zuster Borgia.
Het werd ofwel nablijven op een verlaten speelkoer ofwel, en dat zal wel uniek zijn, een aantal vliegen vangen die zaten te spelen in de blakende zon op de hete kapelmuur en ... Ze moesten nog levend zijn.
Dus voorafgaand een voorraad opslaan voor de straf was onmogelijk. U kon er zeker van zijn dat uw haring niet zou braden.
Niettemin was zuster Françoise de Borgia een zeer goede leerkracht. Wij zijn er allemaal zonder kleerscheuren uitgekomen al had zij soms de allures van een kampbewaarster. Ze schijnt ook voor nachtmerries gezorgd te hebben voor sommige van haar medezusters. Zij had voor alles en nog wat haar fysiek tegen. Sommigen hadden ons zelfs willen wijsmaken dat zij een vent was!
Als zij dit nu in de hemel leest mag ze niet kwaad zijn. Wij hebben ze beschreven zoals wij ze hebben aangevoeld "Sans rancune" zuster Borgia en tot kijk over enkele jaren !
Na dit vagevuur, waren wij rijp voor de 2 laatste jaren aan te vangen in de hoogste klas, die van Soeur Jules-Ignace van Nederlandse afkomst. Geboren in Den Haag als Delphine Bleuset op 19 april 1878, aangekomen in Eine op 12 september 1915 en er overleden op 24 mei 1965.
Een brave zuster, bijziend met een rustig uiterlijk. Ze had een langwerpig aangezicht met zakjes rond haar ogen. Ze was zo een beetje een goedlachs Fernandel-type.Ze kuste bij het begin van de les de mooie Lieve Heer die bij alle zusters aan de paternoster bengelde. Ze had een zeer mooi schrift en gaf les op een manier die ieders aandacht opeiste. Kortom een klasse vrouw.
Zij werd daarbij geholpen door "Mademoiselle Anna" die haar zuster was - dat vertelde mij zuster Agnes van Maldeghem.
Ze zat altijd achteraan de klas op een voor haar voorbehouden bank. Soms moest een leerling naast haar zitten. Ze was een tengere vrouw, spichtig en nerveus met een lichte tic. Hoop en al 50 kg bij doornat zijn..
Ze had altijd een twee-tal centimeter brede velouren band om haar hals. 't Was net of ze haar kouseband rond haar nek droeg. Zij onderbrak de les en las ofwel "La Libre Belgique" of "Le Patriote Illustré" en was een fan van al wat betrekking had met koningen. Koningshuizen en zo meer. Ze dweepte met "La Reine Elisabeth". Ze was vooral attent als zuster Jules Ignace met haar rug naar de klas stond. Als wij even rechtstonden konden wij aan de overzijde van de tussenliggende meisjesspeelplaats, de hoogste klas zien van de meisjes. Daar zaten "de fine fleur", van de gemeente. Rechtstaan durfden wij dus niet als Mademoiselle Anna aanwezig was, wat bijna altijd het geval was.
De meisjes waren onder de hoede van Soeur Marie-de-Jésus, en een andere klastitularis was "Soeur Therèse des Anges", Marie Plateau uit Petegern in Oudenaarde geboren op 22 maart 1891. (zij scheelde maar 19 dagen met mijn moeder) Zij was de tante van onze klasgenoot en vriend André Lamiroy uit Oudenaarde, zoon van een beenhouwer, die verwant was met de bisschop van Brugge, Monseigneur Lamiroy wiens roots in Heurne lagen, een naburige gemeente. Ook in Heurne waren enige Lamiroy's allen verwant met de bisschop. Van de generatie van die tijd is nog één Lamiroy in leven. De kranige 82-jarige Robert, hij woont op "den Heuvel" in Heurne.
We gaan niet verder uitweiden over de meisjesklas. Zij hadden een afzonderlijke ingang rechts van het kloostergebouw. Daar gaf zuster "Marguerite de Cortone", Melanie Huysman, geboren te Ooike op 19 januari 1865, les aan jongens van de gemeenteschool. Ze was verbonden aan de jongensschool maar leefde mee met de kloostergemeenschap. We zagen de meisjes maar twee keer per jaar "Le jour de la proclarnation" et à la fête de Sint-Nicolas".
Soeur "Therèse des Anges" zou zonder enige concurrentie de schoonheidsprijs onder de zusters gewonnen hebben. Ze was een mooie eerder kleine vrouw. Zij liep heel rechtop met kleine paskes. Toen ze even tussendoor haar neef André Lamiroy kwam groeten, liet ze een geur na van geparfumeerde reukzeep.
Het was niet waar dat er zusters waren die een speciale geur achterlieten - Georges Dolfens zei dat - Un melange d'aille, boules pour mites et tabac à priser. (Een mengsel van knoflook, mottebollen en snuiftabak.) Wat wel waar is, wij hebben zuster Borgia eens gezien met een gele vlek op haar mooie witte bef, waarschijnlijk van de dooier van een zacht gekookt eitje dat zij slecht had gemanipuleerd. Alvorens afscheid te nemen van al die Eerwaarde Zusters, een afscheid dat wij nu bijna 60 jaar later emotievol gedenken, gaan wij de nonnekens in het bijzonder en de Visitatie in het algemeen zeer, zeer hartelijk bedanken. Wij danken hen voor hetgeen in ons hart is overgebleven van de moraal waarin zij getracht hebben ons op te voeden. Om U de sfeer van toen te kunnen voorstellen, willen wij U nog even onderhouden betreffende enkele gangbare gebruiken. Eerst en vooral hadden wij drie trimestriële examens. Daarvoor werd men beloond of gestraft met een serie kaarten. In de hoogste categorie hoorde "de carte d'honneur" een met gouden letters bedrukte kaart. De hoogste kwotatie, de grote onderscheiding.
Indien het er op aankwam zou men wel een puntje meer gekregen hebben. Dit hing soms af van het aantal dozenkaarsen dat de moeders hadden meegebracht.
Vervolgens kwam "la carte bleu", de normale onderscheiding van het merendeel der leerlingen en tenslotte - oh wee - "La carte rouge", de rode kaart (toen al) die onvermijdelijk een confrontatie met moeder-overste en de ouder(s) met zich meebracht.
De rode kaart was eerder zeldzaam. Eénmaal heeft een jongen ze verkregen voor een overtreding in de waterplaats - "l'urinoir". - Hij stond iets te ver naar achteren om zijn instrumentje te vergelijken met dat van zijn buurman. Die jongen heeft zich later altijd opgehouden tot na de klas om de zaken rustiger te kunnen bekijken.
Als algemene regel gold voor de urinoirs: zeker niet naast u kijken, zo weinig of eerder niet naar beneden kijken. Best naar omhoog kijken waar er niets te zien was. Dat had tot gevolg dat als het kraantje nog niet in positie was, wij soms onze broek, ons kousen of ons schoenen bepisten. Dat was vanzelfsprekend veel beter dan aanleiding te geven tot zonde. Vandaar dat de Heer ons vroeg heeft geleerd "En leid ons niet in bekoring ..."
Op het einde van het jaar kregen wij dan, naargelang het resultaat een lauwerkrans. Ja ja een Caesars kroon.
De eerste van de klas : de kroon van uitmuntendheid met vooraan een knikkergrote gouden hol. Er waren nog een tweetal kronen met kleinere bollen, ook in goud en tenslotte de kroon met zilveren bol voor de eerste in godsdienst.
Bovenop deze kroon kreeg de gelauwerde dan nog de bijzondere felicitaties van Mijnheer Pastoor, wat begrijpelijk was.
Het ergste met die kronen was dat de ijzerdraad die ze op uw kop moest houden, zo hard was toegeknepen dat wij niet anders konden dan zo op straat te komen.
Vanzelfsprekend kregen wij die toch af al had ze intussen al pijnlijke striemen op ons voorhoofd achtergelaten.Wij waren bang uitgelachen te worden door de jongens van de "meesterschool", waar deze gebruiken niet in zwang waren. En of ze gelijk hadden.
Ziet ge ons daar al lopen met zo'n ding op onze kop. Hadden wij een witte pij aangehad en een palmtak in de hand dan leken wij echt op Caesar die net Gallië had overwonnen, de Rubicon was overgetrokken, de teerling had geworpen en tot de omstaanders zei: Veni-Vidi-Vici. Ik kwam zag en overwon. Dat wat "la couronne d'honneur" betreft. Het was nog niet genoeg dat wij op de feestdagen van de school zo'n stomme beret moesten dragen. Zo'n platte vliegende schotel met rondom een zwart geribt satijnen lint veelal versierd met een anker en de schoolinitialen in goud geborduurd. Met achteraan twee linten die tot op de schouders hingen. Wij zagen er echt meisjesachtig uit. Zo'n stuk carnavalpet hadden vroeger "De Wiener Sanger Knaben" ook aan. Nu niet meer.
Wij hadden twee speelplaatsen. Een voor ''s zomers en bij goed weer. Die was langs de straatkant gelegen en is reeds eerder beschreven. Het was deze koer waar die vliegen werden gevangen.
Op de speelplaats werd een spel gespeeld "Bare" genoemd, vraag mij niet wat dit betekent. Een loopspel in twee kampen waarop men moest trachten, de spelregels in acht nemend, de overkant te bereiken zonder gesnapt te worden. Ofwel werden er rond de koer rondjes gelopen. Langs de steunpilaren van het overbouwd gedeelte met als keerpunt de middelste boom langs de straatkant. Daarin was Paul Landrieu, echtgenoot van Renée Tack de onbetwistbare kampioen. Had die moeten aan atletiek doen!
Ofwel speelden wij Ronde van Frankrijk. Bij aankoop van 20 spekken voor 1 frank kreeg men daarbij afbeeldingen van de toenmalige populaire wielrenners als daar waren Romain en Sylveer Maes, Felicien Vervaecke, Wardje Vissers, René Vietto en Jules Lowie en nog vele anderen. Enige van deze renners werden naast elkaar gelegd en een teerlingworp besliste over de vooruitgang en wie eerst de voorafgaand bepaalde afstand had afgelegd won de rit. (een eenheid was gelijk aan de lengte van het prentje) Er werd zelfs een klassement opgemaakt.Verder werd er nog gebikkeld, een spel met loden klompjes die wij "bikkels" noemden. Een spel van opwerpen en opvangen in één beweging op de bovenhand, een spel dat handigheid vereiste.
Voetballen was heel streng verboden. Toch werd er met een bal gespeeld "Qui a la balle ?" en "le mouchoir".
Twee spelen voor de meisjes, die gespeeld werden door dezelfde bleekscheten die levertraan moesten nemen.
Er was ook nog een binnenplaats, helemaal met glas overkoepeld. Een schitterende zaal, met zwarte bevloering en rondom een witte band. Bij bar weer brachten wij daar de speeltijd door. Wij moesten ons daar wel rustiger houden. Rondom waren er van die brede mooie houten banken van glinsterend hout. De belendende deuren waren in pijnboomhout. Ze waren mooi gevernist en weerkaatsten het zonlicht dat door de koepel drong. Aan het ene eind ruste de koepel op een steunmuur. Aan het andere eind op een balk gesteund door 2 forse gietijzeren kolommen. Sterk genoeg om aan Samson te weerstaan. Midden de zaal was een brede zwartmarmeren trap, met aan weerszijden een stevige gepolijste handgreep. Deze trap gaf toegang tot de klassen die op de eerste verdieping waren gelegen.
En om te eindigen : Een paar keer bij heel zomerse dagen gingen wij spelen in "Le Bois" den dijkbos waar nu de woning staat van notaris A. Toye. Dit bos was bereikbaar langs een poortje in de achtermuur van het klooster.
In dit bos leerden wij allerhande spelletjes die veel weg hadden van datgene wat later zou worden aangeleerd bij de scouts en dergelijke. Dat was wel prettig maar toch waren wij jaloers van de jongens van de meesterschool die tot aan hun knieën in het water, baarsjes stonden te vangen aan de naburige beek, bij het bruggetje aan Meetje Meyers (Aime De Meyer), de smid.
Dit zal zowel het leven geweest zijn in de periode dat wij O.L.V. Visitatie hebben meegemaakt vóór 1940. Wat het leven van de internen betreft, daar kunnen wij minder over meepraten.
Zij vormden wel met de "externen" één grote familie. Wij waren de koeriers en smokkelden al eens wat lekkers binnen buitenweten van de zusters. Zij waren de verslaggevers van het reilen en zeilen binnen het klooster. Vergeet niet dat de bezoekdagen tamelijk schaars waren en dat de periode van verlof tot verlof tamelijk lang waren. Geen sprake van krokus- en Allerheiligenverlof.
Wat de reeds geciteerde "meesterschool" of gemeenteschool betrof aanzagen we de leerlingen ervan als veel sterker en veel vrijer dan die van de Visitatie.
Die waren veel sterker, veel meer haantje vooruit. Ze zouden al eens gerookt hebben en schrokken er niet voor terug een robbertje te vechten.
Maar vergeet het maar. Daar was ook discipline.
Oversten in het klooster :
1883-1889 Zr. Marie Louise
1889-1925 Zr. Marie Lambertine
1925-1930 Zr. Madeleine Roza
1930-1936 Zr. Louise Marguerite
1936-1942 Zr. Maria van de Rozenkrans
1943-1946 Zr. Jeane Augustine
1946-1952 Zr. Gabriëlle Françoise
1952-1956 Zr. Jeanne Augustine
1956-1960 Zr. Françoise Madeleine
1960-1966 Zr. Joseph Emmanuel
1966-1968 Zr. Jeanne Berchmans
1968-1969 Zr. Angèle Droeshaut
1969-1970 Zr. Agnes Vanmaldeghem
Varia
* In 1965 werd de kledij veranderd. Het haar werd ontbloot, rok en bloes deden hun verschijning.
* In 1967 werd alleen de doopnaam weerhouden.
* In 1983 kwam het kloostergebouw onder de slopershamer
* In de spreekkamer van Sint-Amandsberg staat nog een mooie eiken kast uit het klooster van Eine.
Tot hier het leven in O.L.V. Visitatie.
Spijtig dat ze het kloostergebouw in 1983 gesloopt hebben.